Thomas Verbogt over een zekere fotografe

De fotograaf van literair Nederland is Klaas Koppe. Er zijn er een paar meer, maar Klaas is onontkoombaar en dat is in orde. Hij heeft een dochter die waarschijnlijk een opvallend schrijver wordt en dat is dus ook in orde.
Klaas krijgt concurrentie en die komt uit Utrecht. Haar naam luidt Keke Keukelaar, een naam die ik graag noteer en uitspreek. De eerste keer dat ik met haar te maken kreeg was vorig najaar. Toen moest er een foto komen voor de brochure van mijn uitgeverij. Keke Keukelaar belde op en vroeg waar ik woonde. Ik antwoordde: “Sarphatipark.”
Ze was even stil en zei toen: “Zo’n duf park doen we dus niet.”
Ik vroeg wat ze bedoelde.
“Nou, niet zo’n foto in zo’n park.”
Ah, op die manier. Waar dacht ze zelf aan?
“Een scheepswerf of zoiets.”
Nog nooit in mijn leven was ik, geloof ik, op een scheepwerf, in ieder geval niet om er gefotografeerd te worden. Voor alles moet er een eerste keer zijn.
“Heb je een beetje kleren?” vroeg Keke Keukelaar.
Ik zei dat ik kleren had.
“Ook een overhemd met bollen?” vroeg Keke Keukelaar.
“Nee, ik heb geen overhemd met bollen.”
“Jammer. Maar ik kijk wel even in je kleerkast.”
De dag waarop ze kwam stormde het nogal. En het regende zwiepend. Misschien wel uitstekende omstandigheden voor een foto op een scheepswerf. Keke Keukelaar vond dat niet: “Ik ben niet gek natuurlijk.”
Mijn woning is een etage, min of meer één ruimte. Toen Keke Keukelaar erdoorheen liep, was het net alsof zij er begon te wonen en ik even op bezoek mocht zijn. Haar uitstraling was overrompelend. Ze verschoof kordaat en hevig meubels en verplaatste stapels boeken. Ik vroeg of ik ze hulp nodig had.
“Laat me maar even.” En ze zei nog veel meer. Eigenlijk sprak ze de hele tijd. Dat was niet onaangenaam.
Terwijl ze mijn kleren doornam, schonk ik op haar verzoek witte wijn in glazen. Op een scheepswerf had dat moelijk gekund.
Met mijn kleren kon ze niets.
“Houd maar aan wat je aan hebt,” zei ze. Het klonk niet als een compliment.
Toen ze na een uur of twee weg was, moest ik haar bezoek even aan iemand kwijt. Ik belde mijn vriend Sjoerd Kuyper. Ik wist dat Keke Keukelaar ook bij hem was geweest om hem samen met Frank Koenegracht te fotograferen voor hun rijmbrievenboek Dank je voor je brief, het gaat iets beter.
“Keke Keukelaar,” zei ik alleen maar.
Sjoerd haalde diep adem
“Wij zijn er hier nog stil van,” zei hij. “En Frank werd helemaal verliefd. Er is thuis geen land meer met hem te bezeilen. Ben jij ook verliefd?”
Ik zei dat ik daar nog geen tijd voor had gehad.
Twee weken geleden moest Keke Keukelaar me weer fotograferen, nu voor de achterkant van mijn nieuwe boek dat eind mei verschijnt.
Tijdens het werken aan dat boek was er wanorde in mijn woning ontstaan. Ik had de boel net min of meer opgeruimd, het leek me dus handiger naar haar toe te gaan. Daarover belde ik haar.
“Leuk,” zei ze. “ Dan gaan we eerst ijs eten en champagne drinken. Ik zal ook een paar pakken scoren.”
“Pakken?”
“Zomerse pakken ja.”
Klaas Koppe zie ik dat allemaal niet doen.
“En waar?” informeerde ik. Ik was benieuwd. Bunker, afwerkplek, grindgroeve.
“De locatie sms ik je als je in de trein zit.”
Het werd: een natuurreservaat. Per taxi ongeveer twintig minuten van Utrecht Centraal. De chauffeur zei dat het daar `heel mooi’ moest zijn. Of ik een natuurliefhebber was?
Keke Keukelaar stond me op te wachten toen ik werd afgezet. Ze had twee of drie zomerse pakken bij zich. Die zaten in haar fietstas, maar ze zei meteen dat wat ik aan had ook oké was. Ook had ze twee flessen roze champagne meegenomen. Geen ijs. Wel een leeg kratje. Daarop kon ze gaan staan, want Keke Keukelaar is klein van stuk, maar dat zie je alleen als je erop let.

Thomas Verbogt in Propria Cures